\documentclass[10pt]{article}
%\documentclass[man]{apa}
% ipsilateral -> left, contralateral -> right
\usepackage{amsmath,amssymb,latexsym}

\usepackage[dvips]{graphicx}
%\linespread{1.6}

\title{Onderzoek, hoe gaat dat eigenlijk?
Een analyse aan de hand van
de verdringingstheorie van Freud}

\author{Ad H.G.S. van der Ven\\
{\it Department of Psychology, University of Nijmegen}}
\begin{document}
\maketitle
\pagestyle{myheadings}
\markright{Onderzoek: hoe gaat dat eigenlijk?}
\begin{quote}
"Unsere Annahme eines raumliche ausgedehnte, zweckm\"assig zusammengesetzten,
durch die Bed\"urfnisse des Lebens entwickelten psychischen Apparates,
der nur an einer bestimmten Stelle unter gewissen Bedingungen den
Phaenomenen des Bewusstseins Entstehung gibt, hat uns in den Stand
gesetzt,
die Psychologie auf einer \"ahnlichen Grundlage aufzurichten wie jede andere
Naturwissenschaft, z.B. wie die Physik.
Hier wie dort besteht die Aufgabe darin, hinter den unsrerer Wahrnehmung
direct gegebene Eigenschaften (Qualit\"aten) des Forschungsobjektes ander s
aufzudecken, was von der besonderen Aufnahmef\"afigkeit unsrer Sinnesorgane
unabh\"angiger und dem vermuteten realen Sachverhalt besser angen\"aert
ist." Freud (1938, pagina 52)
\end{quote}
\section{Inleiding}
Het aantal verklaringen dat we kunnen bedenken
voor de dingen
die we waarnemen is legio.
We kunnen waarnemen buiten ons zelf, om ons heen bij andere
mensen, maar ook in ons zelf. We kunnen
onze eigen gevoelens waarnemen, maar bv. ook onze self-talk.
Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn
dat s'avonds bij het ondergaan van de zon, de zon er veel groter
uitziet, dan s'middags om twaalf uur, wanneer hij zijn hoogste
stand bereikt heeft.
De mensen vragen zich dan spontaan af: hoe komt dat? Ligt dat
aan de breking van de lucht of is iets anders daar de oorzaak van?
Mensen proberen dus antwoorden te vinden op de vragen die bij hen
opkomen bij het kijken naar de werkelijkheid.
Er zijn allerhande
soorten van antwoorden die
mensen geven. Dat kunnen godsdienstige antwoorden zijn. Dat kunnen
politieke antwoorden zijn. Het wetenschappelijk onderzoek
onderscheidt zich nu van die andere pogingen om een antwoord
te geven op de vraag waarom de dingen zijn zoals ze zijn, hierin,
dat bij wetenschappelijk onderzoek het antwoord dat gegeven wordt
aan zeer stringente eisen moet voldoen. Over
deze eisen zijn alle wetenschappers het
onderling eens, of het nu Chinezen zijn, Papoeas,
Amerikanen, kommunisten of kapitalisten.
\section{Van empirie naar theorie}
Voordat ik die eisen uiteen kan zetten, moet ik U eerst vertellen hoe
zo'n wetenschapsman een antwoord probeert te geven. De eisen die
wetenschapsmensen aan elkaar stellen bij het beantwoorden van hun
vragen hangen nl. samen met de manier waarop ze die vragen beantwoorden.
Wat doen wetenschapsmensen in de eerste plaats? En in hoeverre
onderscheiden ze zich meteen al van andere mensen die ook proberen op
een legitieme manier antwoord te geven? In de eerste plaats gaan
ze eens heel goed kijken. Ze stellen zich in op de vraag:
wat is er eigenlijk te zien of wat heb ik eigenlijk precies ervaren? Ze
gaan daarna uitermate ondubbelzinnig - en soms ook nauwkeurig, maar
de ondubbelzinnigheid is belangrijker - opschrijven, optekenen, weergeven,
mededelen wat ze gezien hebben. Het woordje
"gezien" moet men heel ruim opvatten, in
de sfeer van: gevoeld, gehoord, bij zichzelf waargenomen of vastgesteld;
het is maar een spraakgebruik.

Wanneer er over verschijnselen gesproken wordt, terwijl dat niet nauwkeurig
en ondubbelzinnig gebeurd, zullen andere wetenschapsmensen zeggen: Vertel
nou eens precies wat je bedoelt; w\`at
heb je nou eigenlijk gezien; w\`a\`ar
praat je nou eigenlijk over. Je moet gewoon
eerst weten w\`a\`ar je over praat,
voordat je er een verklaring voor
wilt of kunt geven. Belangrijk is de ondubbelzinnigheid van de verslaggeving.
Deze mag niet voor meerdere interpretaties
vatbaar zijn. De verslaggeving is zoiets als een getuigenverslag.

Nemen we een eenvoudig, alledaags voorbeeld.
Er was een man die een ernstig auto-ongeluk had gehad, waarbij
zijn auto "total loss" was geraakt. Zelf was hij er heelhuids
vanaf gekomen en bij controle op het ziekenhuis bleek hij
in het geheel niets te mankeren, er was ook geen hersenschudding
bij hem geconstateerd of enig ander letsel aan zijn hersens.
Toch kon hij zich in het gegeel niets meer herinneren van het ongeluk.
Voor een verzekeringsinspecteur is zoiets natuurlijk wel van belang want
die wil weten wat er precies gebeurd is, al was het alleen maar
om te kunnen achterhalen of er iemand anders bij het ongeluk betrokken was.
De man kon zich dus niets meer herinneren.
De verzekeringsinspekteur zou nu bij zich zelf kunnen
denken: "Ja, maar dat kan niet. Hij weet het
natuurlijk heel goed maar hij is misschien bang
dat hij zelf schuldig is.
Daarom vertelt hij mij niets."
Gelukkig hadden we met een verzekeringsinspekteur te doen
die verstandig was en iets van psychologie afwist. Hij ging naar
een arts, het kan ook een psycholoog geweest zijn, en vroeg: "Wat
is er met deze man aan de hand?
Zegt hij misschien niets omdat hij bang is de schuld te krijgen?"
"Nee", zei de psycholoog, "hij weet
het werkelijk niet meer, omdat hij de ervaringen die hij tijdens dat
ongeluk gehad heeft, verdrongen heeft. Er is hier sprake van verdringing."
Er is in dit voorbeeld sprake van een verschijnsel: geheugenverlies.
Het verschijnsel roept een vraag op: hoe kan er nu geheugenverlies
zijn zonder enig hersenletsel. Vanuit deze vraagstelling wordt het verschijnsel
verklaard: er is sprake van verdringing.
De vraag is: wat is verdringing? Daar gaan we het uitvoerig over hebben.
Maar eerst nog iets over verschijnselen.

Essentie\"eel voor een verschijnsel is dat U aan iedereen, dus ook
aan een leek, uit moet kunnen leggen waar het over gaat, zo konkreet mogelijk.
Als er iemand bij U komt en zegt: "Ik heb een theorie.", dan is
het eerste wat U zou moeten zeggen: nou, vergeet die theorie maar even; vertel
me eerst eens wat er met die theorie verklaard moet
worden, welke verschijnselen.
En zolang U daar geen antwoord op krijgt
is de theorie nog niet interessant.
Hier volgen enige punten die van belang kunnen zijn bij het beschrijven
van verschijnselen. Deze lijst is zeker niet uitputtend.
\begin{itemize}
\item
Het is heel belangrijk, dat U de
verschijnselen ondubbelzinnig beschrijft.
Dikwijls is het ook zo
dat je de verschijnselen d.m.v. hulpmiddelen nauwkeuriger vast
kunt leggen. Een gesprek kun je bv. op de bandrecorder vastleggen
en vervolgens woord voor woord uittypen. De tijd die een persoon
over een bepaalde taak doet kun je automatisch laten registreren.
Bepaalde gedragingen kun je op videotape vastleggen.
\item
Verschijnselen hoeven niet altijd dingen te zijn die je rechtstreeks
kunt waarnemen. Soms is het nodig om gebruik te maken van
hulpmiddelen om dingen te kunnen zien, die je normaal, zonder
die hulpmiddelen, niet kunt zien. Het standaardvoorbeeld
is de microscoop uit de biologie (of de telescoop uit
de astronomie).
Je kijkt dan als het ware achter de coulissen van de alledaagse
werkelijkheid.
Binnen de psychologie kan men zoiets ook doen door bv.
mensen onder hypnose te brengen.
\item
Je kunt ook naar de werkelijkheid kijken na haar eerst
getransformeerd te hebben. Dat is kijken naar verschijnselen, die
je onder speciale omstandigheden opgeroepen hebt. Een voorbeeld
uit de fysica is het spectrum, dat je kunt oproepen wanneer je
licht door een prisma laat schijnen.
Een voorbeeld uit de psychologie is het testprotocol van iemand
bij wie de Rorschach test is afgenomen.
\item
Met name binnen de sociale wetenschappen kan het wel eens wat
uitmaken of je naar mensen kijkt, die weten dat naar hen gekeken
wordt of dat juist niet weten.
U kunt bv. door een one-way-screen
kijken. En als U door zo'n raam naar mensen kijkt dan
zullen ze zich mischien anders gedragen
dan wanneer U niet door zo'n raam naar hen kijkt, maar rechtstreeks,
waarbij zij weten dat naar hun gekeken wordt.
\item
Als je speciale omstandigheden aan de werkelijkheid (of binnen
de psychologie, aan de mensen) op gaat leggen, dan perk je daarmee
ook de mogelijkheden in, die de werkelijkheid nog heeft.
U kunt aan mensen bv. uitspraken voorleggen
die U zelf verzonnen heeft, en hen vervolgens vragen of
ze het daar al dan niet mee eens zijn. De
resultaten daarvan kunt U weergeven in een min of meer
gekodeerde vorm.
Als U dat gedaan
heeft, dan is uw verschijnsel, datgene wat U in min of meer
gekodeerde vorm heeft vastgelegd. Dat verhoogt natuurlijk de
nauwkeurigheid en ondubbelzinnigheid van de verslaggeving, maar U perkt daarmee
de antwoordmogelijkheden van de
persoon ook aanzienlijk in.
In een vrij en open gesprek, waar U de persoon hoogstens gespreksthemas
aanbiedt, maar hem of haar verder helemaal vrij
laat in datgene wat hij of zij wil zeggen,
kunt U natuurlijk veel meer te weten komen, maar een samenvattend
verslag van zo'n gesprek is weer veel moeilijker te geven, het
inbreien van eigen interpretaties is nauwelijks te vermijden.
Het zal ook moeilijker zijn aan te geven, welke onderdelen
of aspecten van het gesprek object van onderzoek zijn.
\end{itemize}
Dit zijn zo enige problemen die U tegen kunt komen
wanneer U naar verschijnselen wilt kijken en wanneer U daar
verslag van wilt doen.
Maar de vraag die tenslotte aan de orde komt, is: hoe gaan we die verschijnselen
verklaren?

Bij wetenschappelijk
onderzoek begint men met het waarnemen en beschrijven van een verschijnsel.
Maar men blijft daar niet bij stil
staan. De onmiddelijk daarop volgende fase is dat men over het
verschijnsel gaat nadenken. Dat is een uitermate kreatief proces,
want dat denken moet echt van jezelf komen, dat komt niet van de
verschijnselen. Dat nadenken over die verschijnselen, die aktiviteit
zou je het beste kunnen beschrijven als het maken van veronderstellingen
(=hypothesen)
om die verschijnselen te verklaren. Je gaat verzinnen hoe het mogelijk is,
dat de verschijnselen zijn zoals ze zijn, zoals ze
zich voordoen. Dat is een beetje abstrakt gezegd. Goed, laten
we dan eens kijken hoe dat in de psychologie verloopt.

Laten we eens gaan kijken naar het verschijnsel dat tot het
begrip verdringing geleid heeft, tot de verdringingstheorie van Freud. Ik
heb U gekonfronteerd met de man die een ongeluk kreeg en zich bij
ondervraging door de verzekeringsinspekteur niet meer kon herinneren
wat er allemaal gebeurd was. Je zou kunnen aannemen dat de
man geen enkele ervaring opgedaan heeft vanaf het moment dat
hij in de situatie kwam waarop het ongeluk volgde. Je kunt ook
van de veronderstelling uitgaan, dat de man wel ervaringen gehad
heeft, maar dat hij die ervaringen niet verwerkt heeft op een
bewust niveau.
De persoon kan
zich vanaf een bepaald tijdstip niets meer herinneren.
(Wanneer ik de uitdrukking "herinneren" gebruik, dan impliceert
dat eigenlijk al, dat ik aanneem dat de man wel wat meegemaakt
heeft. Want anders is het begrip herinneren zinloos. Dus in
zoverre neem je al iets aan, wat overigens misschien niet juist is.
Maar het komt dikwijls voor, wanneer je probeert dingen te
verklaren, dat je een beetje onnauwkeurig bent, dat je van dingen
uitgaat terwijl je je niet realiseert dat je van die dingen
uitgaat. Dergelijke veronderstellingen worden "impliciete aannamen"
genoemd. Maar dat geeft niets, je moet toch ergens beginnen.)
Op een gegeven moment heb je een idee. Je hebt
een vage notie. Je begint bv. met te zeggen: "Die man
herinnert het zich niet, hij heeft op een of andere manier
natuurlijk wel ervaringen gehad, maar die heeft hij niet normaal
op bewust niveau tot zich laten doordringen." Men gebruikt ook
wel de uitdrukking: "Hij heeft die ervaringen
niet bewust verwerkt." Maar dat
"verwerken" impliceert natuurlijk al veel meer.
Wat je dan bv. zegt is, dat er iets is in de
mens dat er voor zorgt dat je vanaf een bepaald tijdstip bepaalde
ervaringen niet meer bewust beleeft en daarna ook niet meer
in staat bent ze in je bewustzijn op te roepen.

De man zei op een gegeven
moment: "Nou, ik naderde de bocht (het ongeluk had in een bocht
plaats gevonden) en vanaf dat moment herinner
ik me niks meer." Kennelijk is er op dat moment iets gebeurd in
de persoon. Nu zijn er twee mogelijkheden. Het kan zijn dat
de man in een fractie van een seconde tegen zichzelf gezegd heeft:
"Wat ik hier ga meemaken is zo verschrikkelijk, dat wil
ik niet tot mijn bewustzijn laten doordringen. Ik wil daar geen
besef van hebben. Wat doe ik? Ik sluit me voor alle informatie, die nu
nog overkomt, af. Alles wat ik nu nog meemaak laat ik niet
meer toe in mijn bewustzijn. Ik zorg er voor dat ik er geen besef meer van
heb."
Zo zou je je het dus kunnen
voorstellen. Een andere mogelijkheid is de volgende, en dat is
de mogelijkheid waar Freud voor koos. Hij zei: het is niet zo
dat de man tegen zichzelf zei: "Dit is allemaal zo erg, ik kan
dit niet aan, dus laat ik deze dingen niet tot mijn bewustzijn toe."
Het is niet zo dat de man (als een van zich zelf bewuste persoon)
dit tegen zich zelf zei.
Nee, zei Freud, dat doet het
organisme in hem, en het organisme doet dat
automatisch. Met "automatisch" bedoelt hij niet
alleen dat het vanzelf verloopt, maar ook, dat het iets is wat je
niet uit je zelf doet. Dus niet zoiets als: "Dat doe ik."
Het gebeurt buiten jezelf om. Hij gebruikt
dan het woord "instantie". Hij zegt: er is een of andere instantie
(later noemt hij deze instantie het Ego)
in het
organisme die ervoor zorgt, dat de ervaring die de persoon krijgt
niet meer op een bewust niveau verwerkt wordt.
U voelt wel als je zo'n
uitspraak doet en je gaat dan door met redeneren, dan moet je
onmiddelijk twee andere vragen gaan beantwoorden. Op
de eerste plaats: hoe moeten we ons dat voorstellen. Wat betekent
dat: een instantie, die op een gegeven moment die ervaring niet
meer op een bewust niveau door laat komen. In de tweede plaats:
waar blijven je ervaringen dan? Is het zo dat die ervaringen
\"uberhaupt nergens meer opgeslagen zijn in het organisme, in de
persoon. Of is het zo dat ze er nog wel zijn, maar bv. op een ander
bewustzjnsniveau? En als je dat dan gezegd hebt, dan komt er
onmiddelijk een derde vraag op. Er zijn kennelijk meerdere bewustzijnsniveaus,
want ik praat over een ander bewustzijnsniveau. Kan dat? Wat
moet ik me daarbij voorstellen? Hoe zit dat?
\section{Hypothesen en predikties}
In feite zijn we op het einde van de vorige paragraaf bezig geweest
een
hypothese
te verzinnen om een speciaal geval van geheugenverlies
te verklaren. Je kunt ook heel iets
anders bedenken. Dit is typerend voor de wetenschap.
Datgene wat je verzint is volledig vrijblijvend. De een
kan het ene verzinsel voorstaan en de ander een ander. Die
verzinsels kunnen volkomen met elkaar in strijd zijn.
Je hebt een hypothese, een verzinsel en op grond van dat
verzinsel kun je iets bepaalds verwachten in de werkelijkheid.
Je kunt kijken of dat gebeurt, en als het gebeurt, nou dan kun
je voorlopig in
die hypothese, dat verzinsel, blijven geloven. En als de voorspelling niet
uitkomt, ja, dan kun je er toch nog wel in blijven geloven, maar dan
wordt je geloof wel iets minder sterk.
Je kunt verschillende verzinsels hebben,
verschillende hypothesen, over hetzelfde fenomeen. Maar die verschillende
hypothesen zijn alleen maar interessant, inzoverre ze ook tot verschillende
predicties leiden. Wat is essentie\"eel aan een
{\bf predictie}?
Niet dat U de toekomst
voorspelt. Heel veel mensen denken dat. Die denken:
in de wetenschap worden predicties gemaakt en dat betekent dat we de
toekomst kunnen voorspellen, want predictie betekent: iets zeggen in de
toekomst, iets voorz\`eggen. Het
is helemaal niet essentie\"eel dat het om de toekomst gaat. Een predictie is
een voorz\`egging op grond van een verzinsel,
op grond van een hypothese of
{\bf theorie}.
Een theorie is een logisch samenhangend geheel van hypothesen.
Men redeneert als volgt:
"Als de theorie waar is, als het verzinsel waar is, dan zal ik
dat en dat moeten observeren." De te verwachte gebeurtenis kan zich
toevallig in de toekomst afspelen, maar
dat hoeft helemaal niet, de gebeurtenis kan zich ook
in het verleden afspelen. Dan spreken
we over retrodictie. Het gaat er niet om de toekomst te voorspellen, maar
het gaat er om te checken of de hypothese klopt. Een predictie is nodig voor
het toetsen van de theorie, geen toetsing in
statistische zin, maar in meer algemene zin.
Predicere is iets voorz\`eggen,
nogmaals, niet met de bedoeling om te voorspellen, maar om een theorie te
toetsen.

Een hypothese is bijvoorbeeld: er is
een of andere instantie die er voor zorgt dat de ervaringen die de persoon
opdoet op het moment zelf niet verwerkt worden op een bewust niveau.
Zo'n uitspraak is in feite
een veronderstelling. En het woord hypothese (hypothese komt van het
griekse woord hypot\`esis = onderstelling) geeft dat heel goed weer.
Een hypothese kan op zich staan, maar ze kan ook een onderdeel van
een theorie zijn.
Meestal is een hypothese
een deel van een meer algemene theorie.
Als een bepaalde predictie uitkomt
is het nog niet zeker dat de hypothese ook klopt. Er kunnen meerdere
hypothesen zijn die tot dezelfde predictie leiden. U kunt dus
hypotheses 1, 2 en 3 hebben, die logisch volkomen
verschillend
zijn, maar die wel allemaal tot dezelfde predictie leiden. Als
de predictie uitkomt dan wordt de hypothese niet verworpen.
Een hypothese kan alleen maar bevestigd (geverifie\"eerd) worden door
directe waarneming.
Het is ook nog mogelijk dat een van de twee
andere hypothesen klopt.
Daarom kan men hoogstens zeggen: De resultaten zijn niet in strijd
met de hypothese. Als de predictie
niet uitkomt, dan moet de hypothese verworpen worden,
of eventueel de hele theorie.

Bij het ontwikkelen van een theorie ziet men een aantal dingen
bijna altijd terug komen, bv.
\begin{itemize}
\item het gebruik maken van modellen,
\item het introduceren van nieuwe begrippen (de theoretische begrippen),
\item het refereren aan andere verschijnselen en de daarvoor gegeven
verklaringen,
\item het op een speciale manier gebruik maken van theoretische begrippen en
\item het plausibel maken van de theorie.
\end{itemize}
Hieronder zullen we deze vijf punten
(er zijn er meer denkbaar) ieder op zich wat nader toelichten.
\section{Het gebruik maken van modellen}
Iemand die onderzoek gaat doen over verschijnselen
die hij nog niet begrijpt,
heeft niet onmiddelijk een zeer nette - bij voorkeur
geformaliseerde - theorie over die verschijnselen. Hij weet meestal ook niet
direct hoe je de theorie moet toetsen. Soms weet hij zelfs niet
w\`a\`ar hij precies naar moet kijken,
welke verschijnselen belangrijk zijn
en welke niet. Zo gaat het in de praktijk.
Een bepaalde truc, die onderzoekers dikwijls
gebruiken om wat gedetailleerder, wat preciezer,
wat meer gericht te denken, zodat ze ook voor zichzelf het gevoel
hebben dat ze wat meer houvast hebben, is: het werken met een
model. Freud heeft ook van een bepaald
model gebruik gemaakt: het onbewuste is een kelder in een huis, waar
de mensen gewoonlijk niet komen en waarin allerlei dingen
opgeslagen zijn.
Een model is altijd iets dat je volkomen begrijpt,
dat je helemaal doorhebt, waar je onmiddelijk deduktief, rationeel
over kunt praten; dat je helemaal snapt. Je neemt aan, dat het
model een soort parallelliteit heeft met de veronderstellingen
die je maakt om de verschijnselen te begrijpen. Het verzinsel dat je op
wilt gaan bouwen staat in analogie tot je model. Als je dat verzinsel
goed wilt opbouwen, kun je konstant van dat model gebruik maken door te
kijken hoe het model in elkaar zit, om
dan vervolgens te kijken of je in je verzinsel
ook zo iets kunt inbouwen. Op die manier wordt het model een hulpmiddel. Het
is iets dat, in tegenstelling tot het verzinsel dat je
aan het maken bent, wel konkreet is.
Je maakt gebruik van een soort analogie-redenering. Het
model is een hulpmiddel voor
de onderzoeker om zijn denken meer te struktureren.
\section{Theoretische begrippen}
Freud zei op een gegeven moment: De verdringing gebeurt
niet door de persoon, door de mens zelf, maar door "iets" in hem/haar.
Wat bedoelde hij eigenlijk?
Hij zegt dan ongeveer het volgende:
de instantie, die de waargenomen inhouden verdringt en verdrongen
houdt noem ik: het Ego; de verdringing is een mechanisme
dat in werking gezet en in werking gehouden wordt door het Ego.
Wat doet hij in feite? Hij gaat een nieuw
begrip introduceren: het begrip "het Ego", "dasz Ich".
Hier heb je weer iets, dat je heel dikwijls, ja, bijna altijd,
ziet bij wetenschappelijk onderzoek: wanneer men een verklaring probeert
op te bouwen
dan blijkt al heel gauw dat men daarmee ook nieuwe
begrippen moet introduceren om de verklaring te kunnen verwoorden
en daarmee begrijpelijk te
maken. Dat is de reden waarom in de formulering van theorie\"en
dikwijls nieuwe begrippen geintroduceerd worden.
Zo heeft bijvoorbeeld het begrip "massa" door de theorie van Newton
over de beweging van de planeten een bepaalde betekenis gekregen
die het voor die tijd niet had.
Maar Newton had op een gegeven moment dat begrip nodig. Hij ging hem niet
zozeer om het woord "massa", maar hij wilde een bepaalde eigenschap
van lichamen, bv. planeten, aangeven. Voor deze eigenschap zocht
hij een woord. En daarvoor koos hij een bestaand woord, waarvan
de toenmalige betekenis enige verwantschap had met de door hem
bedoelde eigenschap. Zo werd het begrip "massa" geintroduceerd
in de natuurkunde. En als U wilt weten wat massa
is, dan kun je dat niet anders begrijpen dan
door de theorie van Newton te bestuderen.
Dat geldt bij Freud ook zo.
In populair wetenschappelijke boeken op het gebied van
de psycho-analyse staat soms:
Freud ontdekte "dasz Ich", zoals hij later "dasz Es" en "dasz Ueber-Ich"
ontdekt heeft.
Begrippen gaan pas spreken wanneer je snapt
waarom de onderzoeker die begrippen nodig gehad heeft, vanuit welke
denkwijze. Ook was het niet zo dat Freud deze begrippen "ontdekte",
nee, hij "verzon" deze begrippen, hij had ze nodig om zijn idee\"en
onder woorden te kunnen brengen.
\section{Andere verschijnselen en theorie\"en}
Dit punt vereist een wat uitvoeriger toelichting.
Bij wetenschappelijk onderzoek gaat men dikwijls ook alsvolgt te werk.
Je bent met een verschijnsel bezig, je probeert
het te verklaren, en wat doe je? Je gaat op een gegeven moment
naar een volkomen ander verschijnsel kijken, en ook naar de
verklaring die daarbij hoort. Je gaat dus volkomen verschillende
verschijnselen met elkaar in verband brengen.
Dat kan tot een verdieping van het inzicht, en met name
tot een beter besef van je eigen theorie, leiden. Een voorbeeld van zo'n ander
verschijnsel is het hieronder weergegeven voorval. Het betreft een gebeurtenis
die ik zelf eens heb meegemaakt.

Ik reed een aantal jaren geleden op de Hintammerstraat in Den Bosch
in de richting van de markt met een tamelijk langzame snelheid.
Het was Zaterdag middag ongeveer drie uur. Op die tijd wordt er druk
gewinkeld. De straat is
nu inmiddels afgesloten voor verkeer. Ik reed niet hard, omdat
het nogal druk was. Ik schat dat ik ongeveer dertig km per uur
reed. Wat gebeurde er? (Ik kan alles vertellen. Kennelijk heb ik
mijn ervaringen niet verdrongen.
Ik herinner me alles tot in details.) Ik reed langs
een de auto's, die rechts langs de straat geparkeerd stonden. Plotseling
stak er een kind de straat over. Het kwam tussen twee geparkeerde auto's
vandaan en ik zag het dus plotseling tevoorschijn komen,
geheel onverwachts. Op het moment dat het kind
tevoorschijn kwam was het
nog twee of drie meter van mij vandaan was. Nou wat is dan een normale
reaktie: remmen, boven op je remmen gaan staan.
Ik deed totaal niets. Het is zelfs nog erger: ik kon niets
doen. Ik kon mij op datzelfde moment helemaal niet meer bewegen.
Dus ik reed gewoon door. Gelukkig is het allemaal
goed afgelopen. Het kind kwam op de bumper van de auto terecht, het
maakte een boog door de lucht (het was een kind van
een jaar of tien) alvorens op de straat neer te komen. Toen zag ik dat kind
voor me liggen en nog steeds kon ik totaal niets doen, ik reed gewoon door,
gelukkig zonder het kind te raken en na
een paar meter was ik in staat de auto tot stilstand te brengen.

Hier gebeurde dus iets heel
merkwaardigs, iets wat je helemaal niet zou verwachten. Je zou
\`of remmen \`of misschien iets anders, maar ik deed totaal niets,
ik was als het ware verlamd van de schrik.
Deze reaktie staat bekend in de literatuur, als de "todstellreaktion".
Uiteraard is het zo dat de naam de uitdrukking is van
een theoretische interpretatie.
Men vermoedt - en ik vertel dat
erbij om U straks beter te kunnen uitleggen wat verdringing is -
dat hier sprake is van een instinktieve reaktie,
die ook bij dieren veel
voorkomt, en die oorspronkelijk een biologisch zinvolle betekenis heeft.
Wanneer een dier in gevaar is dan is een zinvolle reaktie,
zich helemaal niet te bewegen, doodstil te blijven zitten, omdat je
dan de grootste kans hebt om niet op te vallen. U ziet deze
reaktie bv. wel eens bij hazen en konijnen. En ook wel bij een bepaald
soort vogels, bv. bij patrijzen en fazanten, die in de buurt van gevaar
(bv. een naderende jager) gewoon blijven zitten. Het is zelfs
zo dat het voorkomt dat de jager op zo'n vogel trapt. Daarmee
zijn twee dingen gedemonstreerd: op de eerste plaats dat de
reaktie biologisch zinvol is, want de jager heeft de vogel inderdaad niet
gezien, hij was er zelfs zo dicht bij dat hij erop trapte,
in de tweede plaats zie je het typerende
van de reaktie, nl: er wordt geen enkele beweging gemaakt.
De veronderstelling is, dat dit bij mensen in bepaald soort situaties
ook voor komt; wanneer er bv. een angsttoestand optreedt,
kan het zijn dat je "ineens, zonder dat je er iets aan kunt doen"
in zo'n gedragspatroon vervalt. En ik
gebruik die uitdrukking om daarmee aan te tonen dat hier iets
heel specifieks aan de hand is, iets dat bij verdringing ook aan
de hand is. Het is als het ware als of je niet meer over
je normale functies kunt beschikken. Het lijkt wel als of er een instantie
is, die geheel autonoom zonder dat je er iets aan kunt doen, de leiding
over je lichaam overneemt.
Je heb niets meer
te vertellen op zo'n moment. Je zou graag willen remmen,
maar je kunt het niet. Iets in je zorgt er voor dat je
je niet meer kunt bewegen.
Wanneer ik zeg: "Het is
een instinktieve reaktie.", dan bedoel ik daar twee dingen mee:
\begin{itemize}
\item
 - het is vermoedelijk een reaktie die samenhangt met de fylogenetische
ontwikkeling van de mens, een reaktie die in fylogenetisch
vroegere stadia zinvol was,
\item
 - typerend voor de reactie is dat zij volkomen automatisch verloopt,
automatisch, in de zin, dat de reaktie verloopt
zonder dat ik daar enige kontrole over heb, ik heb er wel besef
van, ik weet wat er gebeurt, maar dat is alles, ik kan er niets aan doen.
\item
\end{itemize}
Wat ik U heb willen laten zien is, dat er gedragspatronen
zijn die volkomen buiten ons zelf om verlopen, waar je zelf niets
aan kunt doen, en waar je soms (zoals bij de verdringing) zelfs niets van weet.
Wat Freud nou bedoelde, was: "De verdringing is net zoiets." De
verdringing vindt niet plaats door ons zelf, maar door zo'n soort
instantie. Vandaar dat Freud bij voorkeur de term "organisme"
gebruikt i.p.v. persoon, omdat hij wist dat dieren dergelijke reakties
ook kunnen hebben. Bij dieren wordt de Todstellreaktion ook aangetroffen.
De reaktie is niet iets typisch menselijks, daarom ga je liever
een abstraktere term hanteren, waar zowel mensen als dieren onder
vallen. Dan zeg je: "Het organisme reageert met de Todstellreaktion."
En zo durft Freud gerust te zeggen dat het organisme reageert met
verdringing.

Freud (en hij gaat nu gebruik maken van een theorie
of hypothese, die voor ander soort gedrag ook wordt gebruikt)
redeneert nu alsvolgt.
Bij de verdringing vindt er net zoiets plaats als bij de
Todstellreaction. De verdringing vindt niet
plaats door mezelf, maar door een of andere instantie in het organisme,
en die instantie doet twee dingen.
\begin{itemize}
\item Ze zorgt ervoor dat de ervaringen die
plaatsvinden niet op bewust niveau plaatsvinden, niet beseft worden.
\item In tweede plaats zorgt ze ervoor dat die ervaringen wel ergens
opgeslagen worden, maar
ook na verloop van enige tijd, toch niet opgeroepen kunnen
worden in ons bewustzijn.
\end{itemize}
De werking van die instantie duidt
Freud met de term "mechanisme" aan. Daarmee benadrukt hij het
automatisch verlopend karakter ervan. De verdringing is dus een
dubbele aktiviteit, in de eerste plaats treedt zij op, op het moment
van de ervaringen zelf, maar ook al zijn die voorbij, dan nog
blijft zij actief, zij houdt de ervaringen
onbewust en de persoon kan de herinneringen eraan niet
oproepen. Als je dit beweert, dan beweer je een aantal dingen:
bv. dat er naast het normale bewustzijn nog iets anders moet
zijn, waar die ervaringen vastliggen. En het meest typische van
dat andere is, dat je van de ervaringen die daar vastliggen,
geen besef hebt en er ook geen besef van kunt krijgen. Je kunt je
de ervaringen die daar opgesloten liggen niet bewustmaken.
Nou komt de vraag op hoe je zoiets zou kunnen noemen. Zo
ontstaat het begrip "het onbewuste". Het begrip komt zo vanuit
de gedachtengang op. Het is ook een nieuw begrip, net als "het Ik".
\section{Het speciale gebruik van theoretische begrippen}
Het introduceren van nieuwe begrippen (zoals "het Ego" en "het onbewuste"
bij Freud) gebeurt niet alleen in de psychologie,
maar bv. ook in de natuurkunde. Daar gebruikt men bijvoorbeeld
het begrip "atoom".
Soms kunnen die begrippen verwijzen naar iets, dat volgens de onderzoeker
ook echt bestaat, in welke vorm dan ook. Heeft iemand ooit een atoom
gezien? Nee, tot nog toe niet. Misschien komen we nog ooit eens
zo ver, maar atomen hebben we nooit gezien. Toch is het zo dat
het begrip "atoom" een verklaringsbegrip is. Er wordt mee gewerkt, en het heeft
bepaalde eigenschappen. Als U precies wilt weten wat een
atoom is, dan moet U de theorie goed kennen. Zo'n theorie gaat
over natuurkundige verschijnselen. Als U dus precies wilt weten wat
het onbewuste is, dan moet U het denken kennen over de daar bij horende
verschijnselen, bijvoorbeeld een speciale vorm van geheugenverlies.
En dan weten we ook wat het begrip wel en
vooral wat het allemaal niet betekent, want er worden in het
dagelijks leven allerhande surplus- en soms zelfs verkeerde
etekenissen aan gegeven die
binnen de theorie helemaal niet gelden.

Een voorbeeld van zo'n verkeerde betekenis is dat men denkt
dat verdringing hetzelfde is als: ergens bewust niet aan willen denken.
Volgens de theorie is het zo dat,
wanneer verdringing optreedt, men zich van de aktiviteit van de verdringing
niet bewust is.
De persoon weet niet dat iets in hem bepaalde dingen verdrongen
heeft en deze dingen ook verdrongen houdt. Want als hij dat zou weten,
dan zou hij uiteraard een besef van die aktiviteit hebben en
daaruit af kunnen leiden welke ervaringen niet tot hem worden
toegelaten. De verdringing als aktiviteit is op zich ook onbewust.
Dus niet alleen het resultaat van de verdringing: de verdrongen inhoud,
maar ook de verdringing zelf als aktiviteit is onbewust.
M.a.w. iets verdringen is wezenlijk iets anders als ergens niet aan
willen denken, bv.: ik heb
ruzie met mijn vrouw en dat vind ik vervelend en dus denk ik
daar maar niet aan, of: ik moet morgen naar een begrafenis dat vind
ik vervelend en dus denk ik daar maar niet over, of: ik voel mij schuldig
aan iets en ik vind dat vervelend en dus denk ik daar maar niet over. Dit
soort aktiviteiten hebben niets met verdringing te maken. Ergens
niet aan willen denken, dingen niet in je bewustzijn willen laten
doordringen, is een heel normaal en veel
voorkomend psychologisch verschijnsel. Het heeft niets met verdringing
te maken.

In het kader van de wetenschappelijke discussie zou iemand
kunnen opmerken, dat het begrip "het onbewuste"
hem toch ziet lekker zit, bv. omdat het sterk plaatsverwijzend is.
Alsof er een of andere plaats is waar die ervaringen opgeslagen
liggen. Zoals je in een kast blokjes kunt hebben. Zo mag je dat
natuurlijk wel voorstellen, maar dat hoeft niet. Het onbewuste
suggereert een plaats, het is een tijd-ruimtelijk begrip. Het
onbewuste zou iets zijn dat je ergens kunt
waarnemen. Zo moet U zich dat niet voorstellen. De vraag is dan:
hoe moet je het je wel voorstellen? Hier stoten we weer op een
algemeen probleem bij wetenschappelijke theorie\"en. Wat betekenen
de begrippen in een wetenschappelijke theorie? Wat betekent het
begrip "massa" in de natuurkunde, of het begrip "energie"?
Wat betekent het begrip "het Ik" in de theorie
van Freud? Wat betekent het begrip "verdringing" in de theorie van
Freud? Wat betekent het begrip "het onbewuste"?
Een ding
moet U zich goed realiseren: die begrippen betekenen niets meer
en niets minder dan wat ze betekenen in de kontekst van de theorie.
Alleen binnen die kontekst hebben die begrippen een bepaalde
betekenis. Zo'n begrip kan ook nog een ander betekenis hebben, in
de alledaagse taal, maar die twee betekenissen moet U niet verwarren.
Dat is heel essentie\"eel. Er zijn begrippen die louter en alleen
betekenis hebben binnen de kontekst van een theorie. Dat
betekent dus dat U de theorie goed moet kennen. Als U de theorie
goed kent, dan weet U vanzelf wat het onbewuste eigenlijk is.
Daarbij moet U zich niets m\'e\'er
voorstellen dan wat er binnen de
theorie aan dat begrip aan betekenis gegeven wordt. "Op een of
andere wijze", zegt Freud, "is het zo, dat een ervaring vast ligt
in het organisme. Hoe? Dat weet ik niet, maar zij ligt vast, dus
er moet een instantie zijn waar zij vastligt." Maar dat "waar"
moet je ook weer niet te ruimtelijk opvatten. Het ligt op een of
andere wijze ergens vast, die instantie waar dat vastligt noem ik
het onbewuste en meer betekent het niet. Je had het ook iets
anders, je had het ook X kunnen noemen. Het grote probleem is dat
wanneer men in het alledaagse leven dit soort begrippen gaat
gebruiken, men daar allerhande bijbetekenissen aan gaat hechten.
En dan ontstaat er uiteraard grote verwarring. Maar de wetenschapsman
moet proberen dat niet te doen. Hij moet proberen dat begrip
uitsluitend te zien in functie van de theorie. Een onmiddellijke
implicatie hiervan is dat U het begrip pas goed kent wanneer U de
theorie goed kent.
\section{De plausibiliteit van een theorie}
Soms kan het zijn dat men de verklarinshypothese voor een bepaald
fenomeen niet erg aannemelijk (plausibel) vindt. In dat geval zal
de onderzoeker naar andere verschijnselen zoeken waarvoor zijninziens
de verklarinshypothese ook geldt. Bij die verschijnselen kan de
hypothese soms wel plausibel lijken. Bovendien is het zo dat men
dan dikwijls ook een beter idee over de aard van de hypothese krijgt.
Om U dit aan den lijve te laten ondervinden
volgen hieronder nog twee andere voorbeelden van verdringing.

Ik weet niet of U wel eens naar de televisie kijkt. (De meesten
van U zullen waarschijnlijk onmiddellijk nee zeggen, want het is
en voque onder intellektuelen om nooit televisie te kijken.
Goed, ik doe dat wel, mijn excuses daarvoor.). Een tijdje geleden was er een
of ander programma over vrede. Er kwam een psychiater in voor,
die veel kontakt had gehad met mensen uit Hiroshima, die
dat ongeluk met de atoombom hadden meegemaakt. Hij was maar heel
kort in beeld en hij gaf aan wat hem het meeste opviel bij deze
mensen. Ik was heel erg benieuwd wat dat zou
zijn. Toen zei hij dat heel veel van die mensen het volgende vertelden.
Op het moment dat het ongeluk gebeurd was,
zagen ze een verschrikkelijke ellende om zich heen. Ze zagen mensen
die al gestorven waren, ze zagen mensen die nog stervende waren. Er
waren heel veel mensen bij die ze heel goed kende, hun eigen familieleden,
vrienden. Het sterven van deze mensen was niet
om aan te zien, want ze waren afschuwelijk verbrand.
Maar wat ze bij zichzelf vast stelden, was dat ze daarbij totaal
geen gevoelens hadden. Daar stonden ze allemaal erg verbaasd
over. Ze hadden daar ook erge schuldgevoelens
over. Dat was ook een van de redenen waarom ze bij deze
psychiater terecht gekomen waren. Ze wilden namelijk graag
van die schuldgevoelens af komen.
Ze voelden zich schuldig dat ze in zo'n
situatie geen gevoelens hadden gehad.
Je zou dit verschijnsel op meerdere manieren kunnen verklaren.
Een van de manieren,
en dat is de reden waarom ik het U vertel is natuurlijk dat hier
verdringing heeft plaatsgevonden. De verdringing bestond niet
hier in, dat deze mensen datgene wat ze waarnamen
niet tot hun bewustzijn lieten doordringen, dat wel. Maar alle
gevoelens die daar eventueel bij op zouden kunnen komen, werden niet toegelaten
in het bewustzijn.
De instantie, die de verdringing inzet en in stand houdt, laat die gevoelens
niet toe, zodat de gevoelens afwezig lijken te zijn.
Kenmerkend voor deze vorm van verdringing is
dat je in een bepaalde situatie
verkeert, waarin je heel sterke gevoelens zou moeten hebben, maar
die in feite niet hebt.

Een ander voorbeeld hiervan is een geval
dat werd beschreven door
Van de Loo (persoonlijke communicatie),
een paar jaar geleden. Het ging over een jongen
van zestien jaar die op kostschool zat, naar ik meen op het toenmalige
Canisius College te Nijmegen. Op een zeker moment moest hij aan de telefoon
komen en kreeg te horen dat zijn vader gestorven was. Vanaf
dat moment kreeg die jongen moeilijkheden op school. Hij kon niet
goed meer mee in de klas, hij begon lagere cijfers te halen, e.d.
Hij had concentratieproblemen.
Daarom werd hij naar Van de Loo gestuurd. De klacht was dus dat het niet
zo goed meer ging op school.
Dat was, zeg maar, een paar maanden of een half
jaar later. Er werd toen helemaal niet gesproken over de vader.
Maar Van de Loo, als goed psycholoog, begon eens te
vragen wat er allemaal gebeurd was, vanaf de periode dat het zo
slecht ging, want voor die tijd ging het nl. goed. Die jongen
vertelde toen: "Op het moment dat ik hoorde dat
mijn vader dood was, stond ik
verbaasd over mijzelf, want ik voelde helemaal niks. Het was helemaal
niet zo dat ik bedroefd was, ik schaamde me daar eigenlijk ook
een beetje voor."
Hier heeft U een type verdringing, waarbij gevoelens
die normaal wel optreden, in dit soort situaties, verdrongen
worden.
Het is ook begrijpelijk waarom de
verdringing optreedt.
Verdringing treedt immers op in situaties die de persoon niet aankan,
die de persoon niet kan verwerken.
Dat brengt ons dan weer op de vraag wat dat begrip "verwerken" nu precies
inhoudt. We zullen daar in het kader van deze uiteenzetting niet
op ingaan.
Daarvoor verwijzen we naar de werken van Freud.

Hopenlijk is uit deze voorbeelden wel duidelijk geworden dat
het aanvoeren van andere verschijnselen, die ook vanuit
de theorie verklaard kunnen worden, de theorie soms meer
plausibel maken. Bovendien kan daardoor ook meer duidelijk
worden wat eigelijk het toepassingsgebied van de theorie is.
\section{Systematisering van het voorafgaande}
Vruchtbaar onderzoek begint meestal met een enkel fenomeen, waarover men
zich dan uiterst kritisch gaat bezinnen. Dat is ook wat
Freud gedaan heeft: uiterst critisch bij zichzelf
proberen vast te stellen hoe hij het verschijnsel zou kunnen begrijpen.
Hij is niet gestopt toen hij een globale indruk had, maar hij is tot op
de bodem doorgegaan. Mijn ervaring is dat goed wetenschappelijk
onderzoek, vruchtbaar wetenschappelijk onderzoek, gekenmerkt
wordt door het feit dat men een heel klein gebiedje probeert te
verklaren, maar dat wel zeer serieus probeert.
Dit soort onderzoek is vruchtbaar omdat achteraf meestal
blijkt dat je veel en veel meer dingen verklaard hebt dan je
oorspronkelijk dacht. Newton
probeerde bv. de bewegingen van de planeten (lichtpuntjes
aan het firmament, die een andere beweging maken dan de overige
lichtpuntjes die we sterren noemen)
te verklaren. Achteraf bleek dat zijn
verklaring ook van toepassing was op zoiets
als valverschijnselen hier
op aarde, waar hij misschien in eerste instantie niet aan gedacht had. Maar
door dat relatief kleine probleem, nl. de beweging van lichtpuntjes
aan het firmament - deze was nauwkeurig beschreven door
onderzoekers v\'o\'or
hem zoals Copernicus en Galilei - zeer ernstig
te nemen, kon hij op een gegeven moment veel en veel meer dingen
verklaren.

U zult bij het voorbeeld van de verdringing merken dat we over
dingen praten, die schijnbaar niets met elkaar te
maken hebben, maar die uiteindelijk toch
met elkaar blijken samen te hangen. Die samenhang ontdek je door alsmaar
serieus bezig te zijn met dat ene probleem. Het is hetzelfde als
iemand die de betekenis van een of ander begrip wil kennen
en daarvoor een
encyclopedie raadpleegt. Als je een begrip in een encyclopedie gaat
opzoeken dan blijkt al heel gauw dat bij de definiering van dat begrip
weer andere begrippen nodig zijn. Dan moet je die weer gaan opzoeken,
en daar heb je weer nieuwe begrippen voor nodig.
Hoewel je begonnen bent met
een heel klein detail ga je op een gegeven moment een hele hoop
dingen begrijpen en met name het onderlinge verband daarvan.
Zo is het ook bij onderzoek.

In de voorafgaande text is gebleken
dat onderzoek uit meerdere fasen bestaat.
\begin{enumerate}
\item
De eerste fase is het waarnemen van het fenomeen of
{\bf verschijnsel}
dat je wilt bestuderen.
\item
Wanneer je bepaalde dingen niet snapt of vreemd vindt, bevindt je je
in fase twee, welke uitmond in een probleemstelling, bv. hoe komt
het dat de zon aan de horizon groter lijkt dan in het zenith, of
hoe komt het dat de man zich het ongeluk niet meer kan herinneren
terwijl hij toch geen cerebraal letsel had. Meestal is er een impliciete
theorie op grond waarvan je verwachtingen hebt waaraan de verschijnselen
soms niet voldoen. Deze discrepantie tussen wat je waarneemt en wat je
verwacht leidt dan tot de
{\bf probleemstelling}.
Een impliciete theorie
is een theorie waar je je niet of nauwelijks bewust van bent, de
theorie is niet uitgezegd of uitgeschreven (expliciet).
\item
De derde fase bestaat uit het maken van verzinsels om het verschijnsel
te verklaren en het probleem (uit de probleemstelling) op te lossen.
Deze verzinsels worden in een latere fase in een
meer geformaliseerde vorm
{\bf hypothesen}
genoemd. In deze fase maakt
men ook wel gebruik van modellen.
\item
Een verzinsel hangt natuurlijk altijd in
de lucht, je moet het gevoel krijgen dat, datgene wat je bedacht hebt,
inderdaad klopt met de werkelijkheid.
Je doet dat door op grond van de hypothesen
{\bf predikties}
te maken. Bij het afleiden van de predicties uit de basishypothese(n)
maakt men gebruik van redeneringen, bij meer geformaliseerde
theorie\"en wordt dit alles in een meer wiskundige vorm gegoten.
De basis- of uitgangshypothesen worden ook wel assumpties genoemd.
\item
Het kontroleren van die predikties
op hun juistheid vindt plaats in de vijfde fase van onderzoek.
Het belangrijkste verschil tussen een hypothese en een predictie
is, dat een hypothese
(=veronderstelling) een uitspraak is over de werkelijkheid
die niet (direct) gecontroleerd kan worden, terwijl dat bij een
predictie juist wel het geval is.
De belangrijkste reden waarom we de werkelijkheid niet begrijpen
is namelijk dat we haar niet in haar volledigheid kunnen
zien. Over het stuk dat we niet kunnen zien maken we dan maar
veronderstellingen, die echter wel via predicties (=voorspellingen)
{\bf getoetst}
moeten worden.
\end{enumerate}
Veel kritici van Freud zeggen dat hij geen empirisch onderzoeker
was, omdat hij zijn theorie\"en niet kon toetsen, maar ik geloof
dat dat niet geheel terecht is. Hij heeft inderdaad geen
gebruik gemaakt van statistische toetsen, dat is een feit. Maar
het is natuurlijk niet zo, dat elk onderzoek per se moet uitlopen
op een statistische toets. Dat gebeurt maar in zeldzame gevallen,
namelijk alleen wanneer de theorie is geformaliseerd
in de vorm van een probabilistisch (=waarschijnlijkheids-) model.
Freud z'n idee was, dat de ervaring, die de persoon
bij dat ongeluk opgedaan had, op een of andere
manier wel aanwezig zou zijn bij de persoon,
maar dat hij daar alleen niet
over kon beschikken, hij zou alleen maar niet in staat zijn
zich deze ervaring te herinneren,
ook als hij het zou proberen,
ook als hij op een gegeven moment tegen zichzelf zou zeggen: "Ik
probeer me werkelijk te herinneren wat er gebeurd is.", dan nog
zou het niet lukken.
Freud zegt: "Die ervaring is er wel, die is op een of
andere manier wel aanwezig, alleen niet in zijn normale bewustzijn
maar ergens anders."
In het voorafgaande hebben we ons al afgevraagd:
waar is die ervaring gebleven, waar is ze opgeslagen? Nou,
dat weten we niet.
Freud heeft de instantie, waar dergelijke ervaringen zijn opgeslagen, "het
onbewuste" genoemd. Waarom "het onbewuste"? Omdat het meest kenmerkende
van die instantie is, dat ervaringen die daarin opgeslagen
worden niet tot het bewustzijn kunnen doordringen.
Nou, als dat idee van Freud waar is dan zou het natuurlijk geweldig zijn
als je op een of andere manier aan kon tonen dat die ervaringen
er inderdaad toch zijn. Je weet echter tegelijkertijd als onderzoeker
dat het niet kan door een persoon zich zo'n ervaring te laten
herinneren. Dat lukt niet. Dus Freud stond hier voor een probleem:
hoe kon hij aantonen dat die ervaringen er wel waren. Immers, volgens
zijn hypothese moesten ze er zijn.

Freud zat dus met het probleem, hoe kan ik mijn theorie controleren
op haar juistheid? Hoe kan ik predikties maken en deze vervolgens
toetsen?
In het algemeen luidt het antwoord hierop:
door een prediktie te doen en te kijken of die prediktie
uitkomt in de werkelijkheid. Uiteraard krijg je dan twee mogelijke
uitkomsten: de prediktie klopt, het is zo dat wat je prediceert
gebeurt in de werkelijkheid. In dat geval blijf je geloven in je
theorie. U weet dat het dan helemaal niet zeker is dat de theorie
waar is, het hoeft niet, want er kunnen andere theorie\"en zijn
die tot dezelfde prediktie leiden. Dat weet je nooit zeker. Dus
zelfs als een prediktie klopt, weet je nog niet zeker of de
theorie juist is. Maar goed, dan blijf je er voorlopig uit ekonomische
overwegingen in geloven. Als een prediktie niet klopt,
dus U prediceert iets en het blijkt zich niet zo voor te doen in
de werkelijkheid, dan moet de theorie (of althans een deel ervan)
verworpen worden. Dan moet je proberen om iets anders te gaan
bedenken. Dat is wel een frustrerende bezigheid voor de onderzoeker.
Onderzoekers hopen altijd toch wel diep in hun hart dat hun gedachte
of verzinsel juist was, al was het alleen maar omdat
het zoveel tijd en energie gekost heeft om het uit denken.
\section{Iets over het begrip "waar"}
Men zegt wel eens: "Een theorie is juist.", of "De prediktie klopt."
Wat betekent dat: het is juist, het klopt, iets is waar?
U moet niet te diepzinnig over het begrip "waar" nadenken. Waar,
dat zeg je in de eerste plaats van een uitspraak, de woordjes
waar en niet waar, dat zijn woordjes die betrekking hebben
op een uitspraak, een uitspraak over de
werkelijkheid. Als U iets zegt over de werkelijkheid, bv. Toon
Hermans zit in de kamer hiernaast of morgen gaat de zon op,
dan is zo'n uitspraak niet normatief. U kunt bv. ook zeggen: statistiek is
niet nodig voor de psychologie. Dat is ook een uitspraak. Daar
kun je over diskussieren, maar het is geen uitspraak over de
werkelijkheid. Het is een normatieve of evaluatieve uitspraak. Er wordt
gezegd dat iets hoort of niet hoort. Dat soort uitspraken bedoel ik
niet; maar bv. wel: op Mars is leven. Wanneer is een dergelijke
uitspraak waar? Wanneer bij controle in de werkelijkheid blijkt, dat,
datgene wat gezegd wordt, het geval is.
Voorlopig kunt U gewoon zeggen: als hij het over waar heeft bedoelt hij:
bij controle blijkt het in de werkelijkheid te kloppen. Als datgene
wat gezegd wordt
klopt is de uitspraak waar; als het niet klopt, niet. Eigenlijk op
dezelfde manier als bij een getuigenverslag voor de rechtbank. De
getuige verklaart dat hij niets anders dan de waarheid zal
zeggen. Maar "De Waarheid" als zodanig zegt hij niet; wat hij bedoelt
is dat hij uitspraken zal genereren die bij eventuele controle ook
inderdaad het geval zijn, dat hij geen uitspraken zal voortbrengen die niet
het geval zijn. Vandaar dat, een rechter
aan een getuige niet vraagt om een oordeel uit te spreken. Het zal U
opgevallen zijn dat de getuige nooit zal zeggen: "Ja, ik vond het
slecht." of "Ik vond het goed." Dus geen evaluatie, hij moet gewoon
zeggen wat hij gezien heeft, of gevoeld, of gehoord, kortom datgene
wat hij heeft waargenomen. Het wetenschappelijk bedrijf is
een soort rechtszaak, waarin je probeert iets aan te tonen. Een
wetenschapsman zit a.h.w. in de positie van een officier van
juistitie. Die moet op een gegeven moment zeggen: "Nou, ik heb
dit gezien, ik denk dat het zo is, ik heb die en die prediktie
gemaakt." Hij draagt materiaal aan voor zijn standpunt en soms
neemt hij de rol van de advokaat in, dan probeert hij te ontzenuwen
wat een ander zegt. Dat is in de wetenschap ook nodig: kritiek.
Dus als op een gegeven moment iemand een opmerking maakt, dan hoor
ik daar naar te luisteren. De ander moet kontinu de kans krijgen
om te proberen wat je beweert te ontzenuwen.
\section{Hoe Freud te werk ging bij het toetsen van zijn theorie}
"Hoe kan ik in 's hemelsnaam toegang krijgen tot dat onbewuste?" Dat was
het probleem van Freud.
"Want als ik aan die pati\"ent vraag: "Vertel eens, wat zit er in
je onbewuste?" dan staat hij met z'n mond vol tanden, hij weet
dat niet. En ik kan er niet inkijken, ik heb geen psychoskoop
waarmee ik in zijn onbewuste kan kijken." Toen bracht Freud
zich iets in herinnering, iets wat we allemaal uit het
alledaagse leven kennen.
Freud begon zich te
realiseren
dat je verschillende vormen
van bewustzijn kunt onderscheiden.
Freud sprak over niveaus van bewustzijn, en ik denk
dat we dat begrip niet moeten laten vallen, want het is inderdaad
een kwestie van niveaus.
Zo'n specifieke vorm van bewustzijn manifesteert zich bijvoorbeeld in de droom,
een andere vorm in het dagdromen, en weer een andere in de diepe
rust vlak voor het inslapen.
Freud ging er dus van uit dat de verdrongen inhouden ergens
in de persoon opgeslagen moesten zijn.
De persoon zou echter niet in staat zijn deze inhouden in zijn
bewustzijn op te roepen. Toen dacht Freud: misschien is er iets van
deze inhouden te merken wanneer de persoon in
een toestand is waarin de verdringende werking van het Ego minder
is, in een zeg "verlaagde toestand van bewustzijn"
(Janet, een tijdgenoot van Freud, en een psycholoog van minstens
hetzelfde kaliber, spreekt van "l'abaissemant du niveau mental").

Freud dacht dus:
"Het zou mogelijk kunnen zijn dat we in die specifieke
toestand toegang kunnen hebben tot de verdrongen inhoud."
De persoon kan zich een droom herinneren. Als die
ervaringen als zodanig naar voren zouden komen in zijn droom, dan
zouden ze toch weer tot bewustzijn komen. Dat mag niet. Dat zou
immers de verdringing verstoren. Freud komt dan op het idee
aan te nemen dat in de droom de verdrongen inhoud
aan bod kan komen doordat zij in vermomming (niet herkenbaar)
verschijnt. Zo kunnen de ervaringen
toch op een of andere manier aan bod worden. Maar de inhoud
is uiteraard niet volledig bewust. De persoon weet in feite niet
dat de vermommingen verwijzen naar de verdrongen inhouden. Het is
ook mogelijk, dat ze in een nauwelijks verholen vorm te voorschijn
komen, maar niet tijdens de slaap, in een droom, maar bv. tijdens hypnose.
Dan moet het wel zo zijn dat de persoon zich later niet meer kan
herinneren wat hij ervaren heeft, want dan wordt de inhoud weer
bewust, met alle er aan verbonden gevoelens.
Dus er mag wel sprake zijn van een minder verholen
vermomming, die zelfs op den duur helmaal weg kan vallen, als
het maar onder hypnose gebeurd en als het maar zo is dat de persoon
zich daarna totaal niet meer kan herinneren wat er is gebeurd tijdens
de hypnose. Wanneer de hypnotiseur daar voor zorgt kan het misschien
zo zijn dat de inhouden zich in
een nauwelijks verholen of zelfs volledig niet meer vermomde vorm manifesteren.

Freud dacht: "Ik moet naar de dromen
van mensen gaan kijken. Wat ik dan niet zal vinden zijn de ervaringen
zelf. Maar wat ik wel zal vinden zijn vermommingen daarvan. Dus ik
moet gaan kijken of ik die vermommingen vind en of ik een soort
vertaling kan maken van de vermomming naar de verdrongen inhoud.
Als ik de persoon onder hypnose breng kan ik mischien de verdrongen
inhoud in niet verholen vorm oproepen, wanneer ik maar de instructie
geef dat
de persoon zich later in
waaktoestand niet meer herinnert wat hij heeft meegemaakt
Als ik het bestaan van de verdrongen inhouden op
deze wijze aan kan tonen
dan weet ik dat mijn
idee klopt." Het is duidelijk dat Freud
op grond van zijn theorie
predikties heeft gemaakt.
Deze predictie bleken bij nader onderzoek ook redelijk
te kloppen. Met de
dromen zat het natuurlijk een beetje moeilijker want daar is sprake
van vermommingen. En als je geen goed vertaalsysteem hebt dat
je vertelt hoe je die vermommingen moet interpreteren dan weet
je nog niet waar je aan toe bent. Bovendien moet
het vertaalsysteem
op zich ook op zijn juistheid getoetst worden. Vandaar dat Freud zeker in het
begin ook erg veel belangstelling voor hypnose had, omdat hij
daar op een meer directe manier zijn predikties
kon controleren.
\section{Epiloog}
Ik heb U in het voorafgaande iets laten zien over de vijf fasen
die bij onderzoek een rol spelen. Je begint met het observeren
van de werkelijkheid. Bij dat observeren ontstaan altijd spontaan
vragen, er zijn onmiddellijk dingen die je niet snapt en een spontane
vraag bij ons voorbeeld was hoe komt het dat deze man zich
helemaal niet meer kan herinneren wat er gebeurd is bij
het ongeluk. Dan ga je hypothesen verzinnen om het fenomeen te verklaren.
In de vijfde fase ga je de gedachten die je ontwikkeld hebt
toetsen door predicties te maken over de werkelijkheid.
Freud heeft daarbij gebruikt gemaakt van de droom en van hypnose.
Het was zijn bedoeling op deze wijze
kontakt te krijgen met het onbewuste waarin de verdrongen
inhouden aanwezig zouden zijn. Het onbewuste manifisteert zich in
de droom via beelden. In de droom zijn de verdrongen inhouden
in vermomde vorm aanwezig.
Is er op deze manier iets van de verdrongen inhoud te
bespeuren, dan is dat een indikatie voor de juistheid
van de theorie. Het toetsen van de theorie is even
belangrijk als alle andere fasen van het onderzoek. Deze zijn:
\begin{itemize}
\item observatie
\item probleemstelling
\item theorievorming
\item het afleiden van predicties
\item toetsing
\end{itemize}
Na het toetsen van de theorie ga je kijken of de predicties
uitgekomen zijn. Als dat niet het geval is ga je kijken waar je
ergens een fout gemaakt hebt. Het kan zijn dat je verkeerde afleidingen
gemaakt hebt. In dat geval ga je terug naar fase 4. Het kan ook zijn
dat je je theorie moet herzien. Dan ga je terug naar fase 3. Het
kan ook zijn dat je het gevoel hebt, dat je bij het waarnemen van de
fenomenen dingen over het hoofd gezien hebt. Dat kan
een aanleiding zijn om terug
te gaan naar fase 1.
Je kunt in principe terug gaan naar elke voorafgaande fase. Daarom
zegt men wel dat onderzoek een cyclisch proces is.

Uit het vooraf gaande is waarschijnlijk duidelijk
geworden, dat
je begint met iets, dat welomschreven
is. Iets dat je kunt waarnemen, dat duidelijk is, dat
simpel is. Dat moet je zien te verklaren.
Dat is in mijn ogen de meest vruchtbare manier van onderzoek
doen. Zorg ervoor dat je niet te hooghartig bent en begin gewoon
met de simpele werkelijkheid, zoals je hem voor eenvoudige mensen
kunt beschrijven.
Probeer je bewust te worden van de vragen die zich daarbij voordoen.
Dit betekent niet dat je louter en alleen op een enkel onderwerp
geconcentreerd moet zijn. Je moet tegelijkertijd breed georienteerd
zijn. Je moet veel weten. Wil je immers goede ideeen krijgen om
een vruchtbare hypothese te kunnen verzinnen, dan
moet je die ideeen ergens vandaan kunnen halen. En hoe meer U weet hoe
meer ideeen je kunt krijgen.
Het is handig als U
met name dingen weet die niet tot uw eigen
specialisatie behoren. Als een onderzoeker een theorie ontwikkelt,
moet hij twee dingen doen: hij moet aftasten wat hij allemaal
weet en proberen er dat uit te halen wat hij kan gebruiken om het
verschijnsel te verklaren. En dat aftasten doe je niet alleen
bij jezelf maar dat doe je ook
bij anderen. Goede onderzoekers zijn mensen die veel praten en veel
lezen. Zij praten veel met andere onderzoekers en ze lezen
dingen die schijnbaar niets te maken hebben met hun eigen vakgebied
of hun eigen specialisatie.

Ik heb U iets verteld over psychoanalyse om U zo te laten
zien hoe onderzoek in de praktijk verloopt.
Er zijn vele auteurs die over psychoanalyse veel meer
zouden kunnen vertellen en dat ook veel beter zouden kunnen doen,
omdat ze er gewoon veel meer van af weten.
Maar een ding is voor U duidelijk. Stel dat U meer zou gaan lezen
over psychoanalyse. Stel dat U dat
allemaal goed zou begrijpen. Zou U dan in staat zijn om uw steentje
bij te dragen aan zo'n stuk wetenschappelijke ontwikkeling?
Ik denk van niet, want U moet nl. nog aan een andere voorwaarde
voldoen. U moet bij wijze van spreken lijfelijk bezig zijn met
het onderwerp. Freud was een man die niet alleen maar achter een
stoel zat. Hij had pati\"enten. Hij deed therapie
Hij presteerde het om \"e\"en pati\"ente gedurende twee jaar
te behandelen. Hij had intensief kontakt met haar. Hij was iemand
die zich bij wijze van spreken elk stukje van de dag zat af te
vragen: hoe zit dit nou, hoe zit dat nou. Er gebeurden allerhande
dingen die hij totaal niet voorzien had. In dat kontakt gebeurden
er ook allerhande dingen die op zich weinig te maken schenen te
hebben met datgene waar het oorspronkelijk allemaal om begonnen
was. Zo werd de pati\"ente op een bepaald moment verliefd op hem.
Als je met de werkelijkheid omgaat, als je met mensen omgaat, dan
gaan er plotseling dingen een rol spelen, waar je in eerste instantie
helemaal niet aangedacht zou hebben. Die zou je natuurlijk kunnen
ontlopen, door net te doen alsof ze niet bestaan of
door er een draai aan te geven. Het is de grote verdienste van Freud
dat hij dat niet deed.
Hij erkende hun bestaan en probeerde er wat mee te doen. Hoe
schamel dat in het begin ook ging, met veel gevoelens van onzekerheid.
Ik kan niet nalaten in dit verband Bally (1961)
aan te halen. Hij zegt in zijn boek: "Einfuhrung in die Psychoanalyse
Sigmund Freuds":
\begin{quote}
"Wir sehen, dasz sich in diesen Ansatzen schon die
Bereitschaft Freuds kund tut, das Auftauchen von Liebesanspruchen
dem Analytiker gegenuber (sp\"ater werden Hass und Aggression
dazu genannt) nicht als ein Hindernis der Analyse, sondern
als eine Grundtatsache des analytischen Geschehens
anzuerkennen. Dasz Freud auftretende Schwierigkeit auf ihren
Sinn zu befragen und seine Anschauung \"uber die Menschen daran
wachsen zu lassen imstande war, ist eine seiner grossen F\"ahigkeiten,
die besonders in den Anfangen der Psychoanalyse eine F\"ulle von
Erkenntnissen beibringt."
\end{quote}
Je bent dus lijfelijk bezig met het onderwerp. Je bent ook
met al je aandacht bezig.
Als je onderzoek doet "maak" je iets, en dat gaat niet
vanzelf, daar moet je echt iets aan doen. Dan maak je ook een aantal
dingen mee waar je totaal niet aan gedacht had en dat is op
zich allemaal niet erg. Als iemand tegen mij zegt: "Maar, meneer,
ik weet zo weinig van onderzoek af, dus ik doe maar geen onderzoek."
dan zeg ik: dat is geen enkele reden om geen onderzoek te
doen; je moet gewoon beginnen.
Door bezig te zijn en door je voortdurend critisch te bezinnen op
datgene wat je tot dan toe tot stand hebt gebracht ontstaat er iets.
\section{Literatuur}
\begin{description}
\item
Bally, G., 1961.
{\it Einf\"uhrung in die Psychoanalyse Sigmunds Freuds.}
M\"unchen: Ernesto Grassi.
\item
Freud, S., 1972.
{\it Abriss der Psychoanalyse.}
Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag.
\end{description}
\end{document}
