Foto's en bijschriften

Foto's worden gebruikt om de visuele infrastructuur van een (kranten) pagina vorm te geven. Foto's zijn, en het liefst in kleur, niet meer weg te denken uit een moderne krant. Toch was het oprukken van beeld in de krant een langdurig en complex proces. "Hierbij speelden drie zaken een belangrijke rol: de ontwikkeling van de druk- en zettechnologie, concurrentie en sociaal-culturele factoren" (Broersma, 2003, p. 6). Zo was het bijvoorbeeld reeds in 1880 (na de ontwikkeling van het half-toonprocedé) mogelijk om foto's op krantenpapier af te drukken. Toch duurde het nog tot zeker 1890 voordat de eerste nieuwsfoto in een Nederlandse krant verscheen, de Amsterdamsche Courant had de primeur. "Zij deed dit vier dagen na de brand, waarmee de beperkingen van fotografie deels waren aangetoond. Het kostte niet alleen veel tijd en inspanning om een goede afdruk in de krant te krijgen, maar het was vooral ook duur" (p. 13). Veel kranten hadden in de begindagen nog een afwachtende houding ten opzichte van foto's wat bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat het Algemeen Handelsblad in 1905 en de Haagsche Courant pas in 1909 de eerste nieuwsfoto opnam.

Naast de technische beperkingen waren er ook een groot aantal sociaal-culturele factoren die een snelle opmars van de (nieuws)fotografie belemmerden. De grootste weerstand die bestond tegen foto's binnen de Nederlandse journaille was, dat foto's te veel appelleerden aan de emotie wat maar zou leiden tot oppervlakkigheid en sensatiezucht.
Toch, onder druk van concurrentie van de geïllustreerde tijdschriften die grote populariteit genoten onder de bevolking, gingen steeds meer kranten over op het plaatsen van (nieuws) foto's. Zo introduceerde De Telegraaf op 12 juli 1921 de eerste fotopagina. "Concurrentie was een belangrijke overweging om te investeren in een fotopagina (...) Eigen 'fotoreportages' konden de werfkracht van een krant vergroten" (Broersma, 2003, p. 14).
Tussen de wereldoorlogen in, en zeker na de Tweede Wereldoorlog, eigenden de Nederlandse kranten zich steeds meer het Angelsaksische model toe als het gaat om het vormgeven van kranten. Technische beperkingen waren grotendeels overwonnen en onder druk van toenemende concurrentie en sociale en - schoorvoetend - professionele acceptatie verwierf de nieuwsfoto zich een definitieve plaats in de krant.

Hieronder zullen we kort een aantal selectie criteria voor (nieuws) foto's bespreken, waarna we uitgebreider in zullen gaan op het fotobijschrift en de fotocredit.

Foto's in de krant

Foto's en illustraties komen bij de krant via verschillende kanalen binnen: van eigen fotografen, tekenaars en illustratoren, van freelancers, van persbureau's en, soms, van amateurs. Een illustratie wordt niet zomaar op de pagina gezet. Ze moet aan (tenminste) één van de volgende criteria voldoen:

  • nieuwswaarde hebben
  • de aandacht trekken
  • informatie geven
  • de pagina aantrekkelijk maken
  • Een van de meest recente voorbeelden van de impact van foto's waren de beelden uit de Abu Graib gevangenis in Bagdad.



    Het gebruik van fotobijschriften

    Kranten bestaan niet louter en alleen uit tekst, maar ook zoals we al gezien hebben uit foto's, graphics (bijv. kaarten, tabellen etc.), tekeningen en cartoons. Al deze verschillende illustraties krijgen een plaats in de krant. Soms staan de illustraties op zichzelf, "dat wil zeggen dat ze niet bij een bericht, verhaal of interview horen" (Kussendrager et al., 1997, p. 267). Vaak worden illustraties ook gebruikt, zoals het woord al zegt, om het bericht in de krant te illustreren of te begeleiden. De illustraties worden dan niet zelfstandig gebruikt, maar vormen een geheel met het begeleidende bericht. De twee vullen elkaar, als het goed is, aan.
    Dit onderscheid, zelfstandig gebruik van de illustratie of niet, is van belang bij het schrijven van het bij- of onderschrift. "Het maakt namelijk verschil of u een bijschrift maakt voor een foto die geheel op zichzelf staat, of voor een foto die een verhaal illustreert" (Kussendrager et al., 1997, p. 268).

    Foto's als zelfstandige illustratie

    Als we te maken hebben met een zelfstandige illustratie, dan zal het bijschrift uitgebreid zijn, "het bijschrift neemt de taak over van het gewone bericht" (Kussendrager et al., 1997, p. 268). Dit betekent dat het bijschrift veel zal lijken op een nieuwsbericht, zoals we dat later zullen bespreken in het deel over Journalistieke genres. De daarbij gehanteerde criteria zijn dat het bijschrift zo volledig mogelijk dient te zijn, met alle (antwoorden op) de vijf w-tjes (wie, wat, waar, wannneer en waarom) en eventueel ook het hoe. Volgens Kussendrager et al. (1997) worden dit soort fotobijschriften bij sommige kranten daarom ook wel een fotobericht genoemd. Voor de term bijschrift wordt overigens ook vaak de term onderschrift gebruikt. In principe wordt hiermee hetzelfde bedoeld.



    Foto's als niet op zichzelf staande illustratie

    Het bijschrift bij een niet op zichzelf staande illustratie vervult een andere functie. Deze functie wordt door Kussendrager et al. (1997) de brugfunctie genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat het (foto)bijschrift, net als de kop en de illustratie zelf, de functie heeft de lezer als het ware over te halen het bericht of verhaal te lezen. "Een goed bijschrift legt een verband tussen illustratie en tekst" (p. 268).
    Het schrijven van een goed bijschrift bij een niet op zichzelf staande illustratie is een lastige opgave (misschien wel lastiger dan het schrijven van een bijschrift voor een zelfstandige illustratie). De regel voor het schrijven van een goed bijschrift luidt: "Een goed bijschrift verwijst naar de foto" (Kussendrager et al., 1997). Dit betekent echter niet dat het bijschrift (precies) moet vertellen wat er op de foto te zien is, dat zien we immers zelf wel. Het bijschrift zou idealiter de lezer moeten attenderen op iets dat niet op de foto te zien is, maar wat wel naar de foto verwijst.
    Vergelijk dit voorbeeld: bij een foto van een kettingbotsing is het onnodig te schrijven dat auto's op elkaar gebotst zijn (dat zien we immers!). In plaats daarvan kan het bijschrift extra informatie toevoegen of antwoord geven op vragen die de foto oproept. Bijvoorbeeld dat de botsing is ontstaan doordat iedereen te hard reed en dat de hulpverlening traag op gang kwam. Daarmee voldoen we ook aan een ander criterium, namelijk dat het bijschrift verwijst naar de tekst. Hier zal immers nog meer informatie te vinden zijn over het "hoe en waarom" van de botsing.




    Twee andere belangrijke elementen bij het schrijven van een bijschrift zijn dat de lezer niet met vragen mag blijven zitten (wie schudt wie de hand?) en dat het bijschrift niet iets anders mag zeggen dan de lezer op de foto kan zien (bijv. dat aanwezigen naar de toespraak luisteren, terwijl we zien dat ze aan het klappen zijn. Is de toespraak net klaar?
    Omdat foto's zelden eenduidig zijn maar juist open staan voor veel interpretaties meent Roland Barthes dat de voornaamste functie van bijschriften het verankeren van een specifieke betekenis van de vele mogelijke betekekenissen is. (Barthes, 1961).

    Fotocredits als bron voor kritische fotobeschouwing

    Tot slot nog een korte opmerking over het gebruik van het fotocredit. Dit fotocredit is het bijschrift dat bij de foto wordt geplaatst, over het algemeen in een afwijkend (kleiner) lettercorps. Het fotocredit geeft de lezer informatie over de afkomst van de foto. Zo wordt over het algemeen de naam van de fotograaf vermeld en of deze fotograaf in dienst is van de desbetreffende krant of werkzaam is voor één van de persbureau's waarvan de krant foto's ontvangt (afnemen van diensten waarvoor betaald moet worden).


    Op de Washington Post site staat zowel een verwijzing naar de bron als een toelichting die de foto duidt.

    Het fotocredit vormt misschien maar een klein onderdeel van de krant, maar is voor de lezer van belang om de informatie op de foto op waarde te kunnen schatten en daarom belangrijk voor het algemene begrip van de krant. Een voorbeeld:

    Allan Wolper (2003) bespreekt in het artikel "In photos we trust" het gebruik van een verschillend fotocredit bij dezelfde foto. De foto laat President Bush zien, terwijl hij de hand vasthoudt van een Amerikaanse soldaat die in een ziekenhuisbed in Washington D.C. ligt, nadat hij is geraakt door een kogel tijdens de oorlog in Irak. De soldaat krijgt de militaire onderscheiding Purple Heart uitgereikt. De foto wordt in The New York Times geplaatst met het fotocredit "Eric Draper/ White House". Dezelfde foto wordt in The New York Daily News voorzien van het credit "AP", oftewel Associated Press, een onafhankelijk persbureau (vergelijkbaar met het Nederlandse ANP). Deze twee credits geven ieder, hoewel ze beiden niet perfect zijn, een aparte lading aan de foto. Voor alle duidelijkheid, de foto is gemaakt door de fotograaf Eric Draper, die verbonden is aan het Witte Huis. Niet onafhankelijk, om het kort door de bocht te formuleren. Er is niets tegen het gebruik van deze foto's, zolang de lezer maar op de juiste (volledige) wijze geïnformeerd wordt. En juist dat is het probleem bij bovenstaande twee credits. Ze laten beiden teveel onduidelijkheid bestaan over de herkomst van de foto, waarbij The Daily News het meest in de fout gaat. Deze krant wekt de schijn dat de foto is gemaakt door een onafhankelijke (foto)journalist van AP. The New York Times doet het beter, maar mensen zouden het credit nog steeds kunnen interpreteren als dat Eric Draper voor The New York Times aan het werk was bij het Witte Huis. Beter zou zijn geweest het credit aan te passen in (bijvoorbeeld) "Eric Draper/ White House Photographer". De herkomst van de foto moet zo voor iedereen duidelijk genoeg zijn. Zoals Wolper (2003) aangeeft: "The White House would not have sent out any photos of Sgt. Douglas if he had sat up in his bed and told President Bush he thought the war in Iraq was a waste of American lives(Š) They (newspapers) are supposed to show the truth, as well as tell it. They are supposed to be watch dogs, not Labrador Retrievers".

    Foto's dragen ondanks alles nog steeds het imago van 'waarheid' en objectiviteit met zich. Ze tonen enkel (eerst zien, dan geloven). Roland Barthes schrijft de foto's een boodschap zonder code zijn. Dat wil echter niet zeggen dat ze objectief zijn. In zijn ogen zijn foto's net zo goed culturele constructies van de werkelijkheid. Juist omdat mensen zoveel vertrouwen hebben in dingen die ze zien ("Ik heb het toch zelf gezien"), moet er voor gewaakt worden dat een journalistieke foto verantwoording aflegt over de context waaruit zij voortkomt. Zelfs een klein onderdeel als het fotocredit speelt daarbij een grote rol.